Vijf jaar vermarkten en besparen onder Sven Gatz: eindelijk zicht op beterschap voor de cultuursector?

Nieuws maandag 11 maart 2019

 


Hij was niet verkozen, kwam zelfs niet op bij de verkiezingen. Maar in 2014 was daar plots Sven Gatz. “Er komt geen Grote Sanering, ik ga geen mensen op straat zetten”, zo opende de nieuwe cultuurminister zijn mandaat. Enkele weken later voerde hij een besparing door. Toen klonk het: “Binnen twee jaar zijn we erdoor.” We zijn nu vijf jaar verder en het is nog even wachten voor we weten wie de nieuwe cultuurminister zal zijn. Eindbalans?


Liberalen zijn voor een overheid die de vrije markt dient. Een herverdeling van arm naar rijk, zeg maar. Wat dat inzake cultuurbeleid betekent, maakte voorzitster Gwendolyn Rutten in 2012 al duidelijk: “Subsidies moeten geen eindpunt maar een beginpunt van geldstromen zijn. Om dit mogelijk te maken, vinden wij dat een deel van de structurele cultuursubsidies geoormerkt moet worden als werkingsmiddelen om private investeerders aan te trekken.” (De Morgen, 03/12/2012).


Liberale leiband


En zo geschiedde: het cultuurbeleid van Gatz bracht de markt aan zet. Kunstenaars die geen steun krijgen, kunnen nu lenen bij de Cultuurbank. Maar schulden moet je kunnen terugbetalen en daar knelt de leiband. Om dat te doen, kan je maar best commercieel denken en je toeleggen op economisch zelfbeheer. Intussen ben je als maker een klant op de kapitaalmarkt. Doe dus best niet te zot inzake maatschappelijk engagement, want je moet al die rekeningen nog betalen.

Cultuurorganisaties kunnen door Gatz dan weer meedingen voor de taxshelter: een fiscale achterdeur die beleggers een gegarandeerd rendement biedt, waardoor de overheid veel inkomsten misloopt. Winstgevende commerciële bedrijven zoals Music Hall krijgen via deze ‘alternatieve financiering’ nu miljoenen overheidssteun.

De minister zou dit woordgebruik contesteren, want het zou slechts om ‘aanvullende financiering’ gaan. Nochtans verhoogde hij het percentage dat organisaties aan externe middelen moeten binnenhalen van 12, 5 naar 20 percent (en van 5 naar 7,5 percent voor sociaal-artistieke organisaties).

De stok achter de deur: wie deze percentages niet haalt, riskeert subsidies mis te lopen. Dit is net datgene wat Rutten omschreef als: “Het oormerken van middelen om private investeerders aan te trekken.” Ondertussen worden we als cultuurliefhebber ook steeds meer tot een klant gemaakt van een kunstenveld waarvan we in eerste instantie wel mede-eigenaar zijn.

"Ik kan niemand verplichten om gelukkig te zijn”, antwoordt Gatz doorgaans als hij kritiek op zijn taxshelter-beleid krijgt. Nochtans ben je helemaal niet zo ‘vrij’ – vrijheid is sowieso een van de meest geprostitueerde begrippen – om deze fiscale instrumenten te weigeren binnen een sectorbeleid dat bespaart om iedereen de markt op te jagen.

De taxshelter biedt een tegemoetkoming na de besparingen, aldus de minister. Tegelijk hypothekeert het in de toekomst een stijging van reguliere steun, want ‘er zijn nu toch aanvullende middelen?’ En vinden we het logisch dat het nu de FOD Financiën is die hier beoordeelt welke kunstorganisaties steun krijgen, eerder dan een democratisch samengestelde beoordelingscommissie?


Interne staatshervorming


Gatz voerde niet alleen een ambitieus vermarktingsbeleid, hij zette samen met zijn regering ook gedreven in op de afbouw van overheidsstructuren. Waar er allemaal bespaard en afgeknepen werd, valt moeilijk te traceren omdat de begrotingen over de jaren heen bijzonder onleesbaar zijn. Door het verschuiven van budgetten en bevoegdheden – decreten komen en gaan – hangt er een mist over de cijfers die handig toedekt wat er allemaal verloren gaat.

Daardoor is de omvang van de krimp in cultuursubsidies niet eenvoudig te achterhalen. Want naast een knip in het cultuurbudget – niet toevallig werd Gatz bij zijn aantreden bijgestaan door een neoliberaal offensief in de media door rechtse opiniemakers van VOKA en Liberales die de zinvolheid van cultuursubsidies in zijn totaliteit betwistten – maakten we onder de vorige regering een wilde afbouw van de provincies mee. Dat zou meer efficiëntie meebrengen en een slankere overheid. Voor de muziekverenigingen is het alvast een ‘koude douche’. Zo noemde de federatie van het sociaal-culturele werk het ook in haar eindbalans.

Daarnaast werd het mes gezet in het lokale cultuurbeleid dat doorheen de jaren zorgvuldig was opgebouwd. Zogenaamd om de ‘betutteling’ van overheidswege tegen te gaan, werden de decreten lokaal cultuur-, jeugd- en sportbeleid simpelweg afgeschaft. Samen met de garantie van een openbare bibliotheek of een cultureel centrum verdwenen er zo vele miljoenen uit de Vlaamse cultuurbegroting.


Wurggreep op de administratie


Ook de administratie van de cultuursector moest er op de valreep nog aan geloven. Secretaris-generaal Luc Delrue moest zijn mandaat beginnen met een moeilijke saneringsopdracht van 10 procent. Met de inkanteling van de provincies was er de toezegging dat er 102 mensen rond de zomer 2017 zouden bijkomen van wie er finaal slechts 65 overkwamen. De oorzaak? Door lobbywerk van de burgemeesters werden personeelskredieten omgezet in beleidskredieten die vervolgens voornamelijk op gemeentelijk niveau werden ingezet.

Dat Delrue maximaal wou inzetten op het behoud van het personeel en ondertussen nieuwe aanwervingen deed om de werking van de administratie te garanderen, werd hem blijkbaar niet in dank afgenomen. Minister Gatz weigerde hem dit jaar voldoende beleidskrediet te geven om tot in 2020 te kunnen overbruggen.

Met als gevolg dat er plots drastisch bespaard moet worden in ICT, contractuelen van bepaalde duur worden niet vervangen om ze dan eventueel volgend jaar opnieuw aan te werven, mensen worden aangemoedigd om verlof zonder wedde te nemen ondanks de hoge werkdruk op het team.

Kortom, Gatz begon met een besparing in de lopende werking en eindigt ermee. Het past allemaal wel in de liberale ideologie van een zich terugtrekkende overheid. Maar de administratie lamleggen, terwijl het eigen kabinet daar inzake expertise zo afhankelijk van is, komt neer op het onderuit willen halen van beleidscontinuïteit en democratische overheidscontrole. Daarmee maakt Gatz een naam die hij zichzelf eens gaf in de titel van een promoboekje meer dan waar: een liberaal guerrillero op links terrein.


Wat na 26 mei?


Als het van N-VA afhangt, wordt dit rechtse economische beleid aangevuld met een conservatief-rechts monocultureel programma. Dan volgt de verdere aanval op het brede middenveld. Kandidaat-cultuurminister Marius Meremans (N-VA) verklaart zich dan wel bereid sociaal-cultureel werk nog te steunen, op voorwaarde dat de werking conform is met ‘onze westerse normen en waarden’. Hoort bijvoorbeeld een open werking zoals die van vzw Globe Aroma daar volgens hem ook bij?

Meremans heeft het graag over ‘westerse’ of ‘gemeenschappelijke’ waarden, niet over ‘universele’ waarden of rechten. Die nuance is belangrijk: zo kan zijn partij eventueel discussies beginnen over activiteiten van organisaties die niet zouden stroken met zoiets als de ‘Vlaamse gemeenschapszin’. Censuurbeleid heet dat. Meremans stuurde ook op deze terminologie aan voor het decreet sociaal-cultureel werk.

Een bloeiend cultuurleven dat inzet op participatie en pluralisme mag zich dus aan zwaar weer verwachten. Meremans had het eerder al over zoiets als ‘de dictatuur aan diversiteit’. Wordt dat de truc van N-VA? Een investeringsprogramma (lees: geoormerkte budgetverhoging) in ruil voor het propageren van een Vlaamse ‘leidcultuur’ en de promotie van de Vlaamse economie in het buitenland?


‘De culturele elite’ als vijandsbeeld


Nier onbelangrijk: Bart De Wever construeerde in zijn boek ‘Over identiteit’ de ‘culturele elite’ tot een nieuw vaag vijandsbeeld. Hij heeft het alvast niet over de economische elite die bijvoorbeeld via de kunstmarkt het kunstenveld naar haar hand wil zetten, want daar wil zijn partij graag op goede voet mee staan. Hij wil daar progressief ingestelde cultuurwerkers en kritische kunstenaars mee viseren.

De partijvoorzitter hanteert hier een alt-right karikatuur: eerder dan je ideologische tegenstander bij naam te noemen en in discussie te gaan met de progressieve waarden waar die voor staat, verzwijg je die waarden en kies je voor een vaag, angstaanjagend rookgordijn dat in het midden laat wie zich hier precies aangesproken mag voelen. Het is een zondebok voor zowat alles wat misging in een snel veranderende wereld, waarmee de Vlaams-nationalisten bevolkingsgroepen tegen elkaar willen opzetten.

We kunnen ons de volgende jaren dus aan een cultuurstrijd verwachten. Een rechts beleid wil sowieso enerzijds bepaalde basisvoorzieningen privatiseren – zoals openbaar vervoer of energievoorziening – om anderzijds andere waardengeladen sectoren naar zich toe te trekken om een ideologische finaliteit door te drijven. “Het is de volkssoevereiniteit die bepaalt op basis van welke waarden wij onze publieke cultuur en het openbare leven organiseren”, schreef Bart De Wever. Het volk beslist en de leider weet wat ‘de Vlaming’ wenst? Daarmee mag het duidelijk zijn welke kant hij met kunst en cultuur op wil.


Robrecht Vanderbeeken


Dit artikel verscheen in Tribune 75.07